OvD – Huize Zeldenrust -100AnBV10001


Ouden van Dagen

Deel 1 – Huize Zeldenrust

De sfeer in de auto weerspiegelde die van erbuiten. Het was een echte koude, natte, kille novemberdag.

Een rilling loopt Frank over de rug, terwijl hij de auto verder de oprit op navigeert en ondertussen het huis onderzoekend observeert.

Een snelle blik naar rechts leert hem dat zijn vader in een zelfde soort sentiment verkeert.

De foto’s op de flyer deden het gebouw geen recht. Zo van dichtbij maakte het een behoorlijk imposante indruk.

Statig en tegelijk toch speels gebouwd, met al die nisjes en ronde raampjes, stond het trots middenin een grote groene lap grond.

Helemaal niet zoals een verzorgingstehuis er uit hoort te zien, vond Frank. Tenminste, voor zover hij er iets van wist. En dat was niet veel, moest hij toegeven.

De bouw had wel iets weg van een kasteel met al die torentjes, maar dan helemaal wit. Ook mistte de mooie slotgracht met bijbehorende ophaalbrug.

Het pand was vroeger onmiskenbaar eigendom geweest van een baron of landgraaf.

En nu het toekomstige onderkomen van zijn vader.

Frank draait de auto links tussen de grote populieren door, de grote parkeerplaats op.

In de verte lopen groepjes mensen, waarschijnlijk bewoners en verzorgers, op een tuinpad.

‘Pa, dit ziet eruit als een paradijs!’ roept Frank vrolijk uit in een overduidelijke poging Gerrit wat op te vrolijken.

‘Je zult zien, zo goed heb je het in je hele leven nog niet gehad’, vervolgt Frank, terwijl hij de sleutel omdraait en de motor afslaat.

‘En gemakkelijk; je krijgt je natje en je droogje zonder dat je er zelf iets voor hoeft te doen. Ik ben jaloers!’

Gerrit gromt en laat het commentaar van zijn zoon, zonder indruk te maken, zonder interesse van zich afglijden.

Zijn grijze ogen staarden leeg de verte in, terwijl hij mijmert over zijn leven.

Dit is het dan. De laatste halte, schiet het door hem heen. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en focust zijn ogen stilzwijgend op het grote gevoelloze witte gebouw.

Zo van een afstandje ziet het er niet slecht uit. Niet deprimerend of zo, afgezien van het weer. Het staat netjes in de verf en het groen eromheen is goed bijgehouden. Gerrit kon dit wel waarderen. Dan duwt hij de warmere gevoelens gauw aan de kant.

Hij weet wel beter en roept zichzelf tot de orde. Hij zou zich niet laten verleiden door de uiterlijke schijn. Dit is een gevangenis, wist hij, waarvan af nu, hele lange 24 uren per dag, zijn leven bepaald zou worden door anderen.

Het laatste station. Vaak had hij eraan gedacht de laatste jaren en net zo vaak had hij zichzelf beloofd nooit zo te eindigen, maar nu was het dan toch zover.

Hij gaf een diepe zucht. Hij had geen kracht meer om zich te verzetten.

Gerrits’ gedachten gleden weg en een bittere glimlach trok om zijn mondhoeken toen hij dacht aan zijn reis tot nu toe.

Hij zag zijn prachtige vrouw Rita weer voor zich. In zijn dagdroom zat ze naar haar favoriete serie op tv te kijken en genoot zienderogen, nu en dan lachend naar hem opkijkend met haar felblauwe ogen, om het moment met hem te delen.

De kleinkinderen liepen lachend en brullend het beeld in, op hun hielen gezeten door een met waterpistool gewapende, veel jongere Frank. Gerrit glimlachte en de beweging deed een traan over zijn wangen rollen.

Sonja, zijn dochter, volgde met een dienblad gevuld met rinkelende kopjes. Dampen van een hete substantie in een spoor achterlatend.

Gerrit slikte zwaar. Mooie tijden waren dat. Rita was er al lang niet meer en Sonja ook niet. Zij vertrok een paar jaar na haar moeder. Allebei door die rotziekte.

Frank keek naar zijn vader, die met zijn gedachten ver weg leek te zijn. Een traan langzaam rollend over zijn wangen. Hij was op een andere plaats en andere tijd, bedacht Frank, waarschijnlijk met zijn Rita.

Frank slikte en stapte uit. Hij liep om de auto heen om zijn vader te helpen met uitstappen. Gerrit greep zijn arm en trok zich moeizaam op.

‘Ja, en jij bent van me af’ zei Gerrit zuur, terwijl hij de wandelstok voor zich neerzette.

Frank zucht gelaten. ‘Ach Pa, je weet dat dat niet waar is. Het kon echt niet meer.’

Hij tilde de koffers uit de kofferbak. ‘Je hebt iedere dag zorg nodig en hulp die gelijk geboden kan worden.’

Het is waar, het staan en lopen was erg slecht geworden. Een paar keer heeft Frank zijn vader uit de tuin moeten plukken, omdat de benen hem niet meer konden dragen. De geest was nog jong, eigenwijs en volhardend, maar zijn lichaam gaf het langzaam maar zeker op.

Ze schuifelden naar de ingang. Frank droeg de koffers en Gerrit zijn lichaam met hulp van de stok. Die stok had al een gevaarlijke deuk onderaan en had er alle schijn van, dat het net als zijn meester, vandaag of morgen, zou moeten opgeven.

Een hoop herrie deed hen opkijken. De toegangsdeur, waarnaar zij onderweg waren, was met een klap opengeslagen en een oudere heer met spillebenen liep er schreeuwend en gillend uit. De armen hoog boven zijn hoofd heen en weer zwaaiend en, poedelnaakt(!).

Hij werd op de voet gevolgd door een persoon van het andere geslacht, ook poedelnaakt. Gillend en joelend de mannelijke tegenhanger achtervolgend, zwaaiend met een roeispaan.

Met open mond staarden Gerrit en zijn zoon het tafereel gade, totdat de gerimpelde achterwerken even verderop weer door een deur naar binnen verdwenen.

Ze keken elkaar een paar seconden verbouwereerd aan, tot de herrie in de verte uitgestorven was.

Toen brak het sombere gezicht van Gerrit in een glimlach: ‘misschien is het hier inderdaad zo slecht nog niet.’

Volgende>

Copyright 2022. Ouden van Dagen.


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.